Schild(ge)klier

Ken je dat gevoel? Je bent moe, futloos, hebt geen energie en ondanks al je pogingen om af te vallen, slaag je daar niet in. Je hebt het altijd koud, vooral al je uiteindjes (handen, voeten, neus) lijken wel van ijs. Of misschien herken je je juist in het volgende: je bent een nogal rusteloos persoon, hebt vaak last van hartkloppingen, voelt je opgejaagd, je valt af terwijl je dat niet wilt. Of je heb last van een hele zwik “vage” klachten waarvoor niemand echt een oorzaak kan aanwijzen… Heb je er wel eens aan gedacht om de oorzaak van je klachten te zoeken in de werking van de schildklier…?

De schildklier

De schildklier (in het Engels: thyroid, dat is waar de T in alle afkortingen vandaan komt ;-)) is een vlindervormige klier die in de voorzijde van de hals ligt. De schildklier heeft twee kwabben, twee gelijke delen, die worden verbonden door een brug van schildklierweefsel, de isthmus. De schildkier wordt aangestuurd door de in de hersenen gelegen hypothalamus en de hypofyse. Moet de schildklier aan het werk, dan wordt door de hypothalamus TRH (Thyroid Releasing Hormone) vrijgeven aan de hypofyse. Op haar beurt geeft de hypofyse TSH (Thyroid Stimulating Hormone) vrij aan de schildklier.

De schildklier produceert de schildklierhormonen: thyroxine (T4) en tri-joodthyronine (T3). Schildklierhormonen stimuleren energetische stofwisselingsprocessen, oftewel de verbranding van eiwitten, vetten en suikers. Ze doen dat vooral in de mitochondriën, de energiefabriekjes van onze cellen. Via deze stofwisselingsprocessen hebben schildklierhormonen invloed op tal van lichaamsfuncties, zoals temperatuurregulatie, glucoseregulatie, ATP-regulatie, de hartslag, lichaamsactiviteit, eetlust en de werking van de HPA-as (de stress-as). Daarnaast speelt de schildklier een belangrijke rol in de groei en ontwikkeling van kinderen.

De productie van schildklierhormonen

In de schildklier wordt door schildkliercellen de stof thyreoglobuline geproduceerd uit het aminozuur L-tyrosine. Thyreoglobuline is een inactieve vorm van het schildklierhormoon. Het wordt opgeslagen in de follikels (een soort opslagdepots) van de schildklier en vervolgens wordt er met behulp van het enzym TPO (thyreo-peroxidase) door middel van oxidatie jodium aan gekoppeld. Door de koppeling van jodium ontstaan T3 en T4, afhankelijk van het aantal jodiumdeeltjes (3 of 4) dat wordt gekoppeld. Het grootste deel van de thyreoglobuline wordt T4. Voor een normale productie van schildklierhormoon is continu jodium nodig. Tijdens het oxidatieproces ontstaan veel vrije radicalen, waardoor er anti-oxidanten nodig zijn om deze onschadelijk te maken. Heb je een tekort aan anti-oxidanten, dan blijven de vrije radicalen gebonden aan de thyreoglobuline. Deze hopen zich op en zorgen voor beschadiging van de thyreoglobuline, waardoor de productie van schildklierhormoon wordt verstoord.

De gevormde schildklierhormonen blijven inactief in de follikels totdat er een signaal komt dat ze nodig zijn in het lichaam. Op dat moment worden ze geactiveerd en afgegeven aan het bloed. T4 heeft een lage biologische activiteit; het wordt pas actief als er een jodiumdeeltje af wordt gehaald en het T3 wordt. Het daadwerkelijk actieve schildklierhormoon is dus T3. Het omzetten van T4 in T3 gebeurt voor een groot deel in de lever, maar kan ook elders in het lichaam plaatsvinden. Het wegnemen van het jodiumdeeltje (dejodinase) gebeurt onder invloed van selenium. Zonder selenium kan T4 niet worden omgezet in T3. Selenium is dus noodzakelijk om het schildklierhormoon actief te maken.

De werking van schildklierhormoon

T3 is zoals gezegd de actieve vorm van het schildklierhormoon, dat de eigenlijke functie ervan uitoefent. T3 moet zich aan een schildklierhormoon-receptor (T-receptor) binden om zijn werk te kunnen doen. Voor de werking van de T-receptor is er een co-receptor nodig: een vitamine A-receptor. Deze bindt zich aan de T-receptor en activeert deze. De vitamine A-receptor wordt op zijn beurt geactiveerd door (hoe kan het ook anders) cofactor vitamine A. Gebonden aan een T-receptor vormen de T3 en de receptor samen met vitamine A en de vitamine A-receptor het T3-receptorcomplex. Dit complex kan zich binden aan het DNA in een lichaamscel en op dat moment gaat het schildklierhormoon zijn werk doen in de cel. Het is dus nogal een proces om T3 op de juiste plaats te krijgen!

Als de T3 niet op een receptor kan aandokken, omdat er niet genoeg receptoren zijn (bijvoorbeeld door een tekort aan de grondstoffen van de receptor: eiwitten, vitamine A en vitamine D), of omdat de receptoren bezet zijn met iets anders (bijvoorbeeld rT3, waarover dadelijk meer), dan kan het zijn werk niet doen. Ook als de vitamine A-receptor het niet doet (bijvoorbeeld omdat er te weinig vitamine A aanwezig is), werkt het T3-receptorcomplex niet goed.

T4 kan overigens in geval van nood ook aandokken op de T-receptoren, maar past er minder goed op, waardoor de receptor minder goed werkt.

Hulpstoffen bij de aanmaak van schildklierhormoon

Goed, schildklierhormonen worden dus uit het aminozuur L-tyrosine gevormd. L-tyrosine kan op zijn beurt weer worden gevormd uit voorloper L-phenylalanine. Voor deze omzetting zijn onder meer selenium en jodium (daar zijn ze weer!), mangaan, bijna alle vitamines B, zink, koper, vitamine E en vitamine C nodig. Een ingewikkeld proces dus. L-tyrosine is niet alleen de bouwstof voor thyroxine, maar ook voor alle catecholaminen (dopamine, noradrenaline, adrenaline). Het is dus een heel belangrijk en veel gebruikt aminozuur in het lichaam. Dat betekent ook dat het belangrijk is om voldoende L-tyrosine binnen te krijgen uit je voeding. Zeker als je veel stress hebt en daardoor veel stoffen uit de dopamine-stofwisseling verbruikt, kan er makkelijk een tekort optreden aan L-tyrosine. Het gevolg is dat de schilklier minder goed gaat werken.

Naast L-tyrosine, L-phenylalanine en de daarbij behorende hulpstoffen, zijn ook voldoende eiwitten en voldoende vitamine A en D nodig voor de bouw van receptoren. Zowel de T-receptoren als de vitamine A-receptoren hebben te leiden onder tekorten aan deze stoffen, met als gevolg een verminderde werking van de schildklier.

Voor het activeren van thyreoglobuline is jodium nodig en voor het activeren van T4 in T3 selenium; bij tekorten in deze stoffen zie je ook een verminderde werking van de schildklier.

Tot slot zijn voldoende anti-oxidanten nodig om de vrije radicalen die ontstaan bij de vorming van T3 en T4, onschadelijk te maken. Bij een tekort aan anti-oxidanten en dus teveel vrije radicalen, raakt de werking van de schildklierhormonen verminderd.

Kink in de kabel: stress

De T-receptor, bedoeld voor T3, kan bezet worden door een ander stofje dat er goed op past: rT3. rT3 staat voor reverse-T3 (omgekeerde T3; het is als het ware het spiegelbeeld van T3) en wordt onder invloed van cortisol geproduceerd uit T4. Cortisol zorgt dus dat T4 geen T3 wordt maar rT3. Dit gebeurt via dejodinase, net als de omzetting van T4 in T3, met als grote verschil dat voor de omzetting in T3 selenium nodig is en voor de omzetting in rT3 niet. rT3 kan dus veel sneller worden geproduceerd. Dat is ook logisch, want bij acute stress (die tijger van weleer, weet je nog ;-)?) is alle energie onmiddellijk nodig om ervoor te zorgen dat je die penibele situatie overleeft. De schildklier wordt als het ware even uit gezet: deze is bedoeld als verzorgings- en regulatiemechanisme en daar kunnen we best eventjes zonder als we acuut moeten overleven.

Als die tijger weer uit het zicht is en het cortisolniveau weer is gedaald, komt de T-receptor weer vrij en kan T3 weer zijn werk doen. Duurt de stresssituatie echter langer, zoals in het geval van chronische stress (een stapel werk op je bureau die niet af komt, zorgen om je hypotheek, je relatie die niet goed gaat, je moeder die ziek is, irriterende voedingsstoffen in je lichaam) dan ontstaan problemen. De T-receptoren blijven bezet met rT3 en de T3 komt dus door de stress niet meer aan in de cellen. En dat ga je merken. Aanvankelijk zullen je bloedwaarden nog niet echt afwijkend zijn: er circuleert genoeg T3 in het bloed (want die wordt niet verwerkt door de bezette receptor), dus er wordt niet direct aanzet gegeven tot de productie van extra veel TSH en daarmee extra T4. Je krijgt echter wel de symptomen van een schildklier die niet goed werkt. De oplossing is dan niet gelegen in de aanpak van de schilklier, maar in de aanpak van het daadwerkelijke probleem: de stress….

Nog een kink in de kabel: actief immuunsysteem

Er is nog een andere oorzaak voor het omzetten van T4 in rT3 in plaats van in T3: een actief immuunsysteem. rT3 is in staat om het immuunsysteem gedurende langere tijd geactiveerd te houden. Dat is op zich handig als een infectie niet direct kan worden opgelost en het immuunsysteem daar wat langer de tijd voor nodig heeft. Want ook hier geldt: een infectie oplossen is belangrijker dan het verzorgingsprogramma van de schildklier in stand houden. Als echter je immuunsysteem de hele tijd alsmaar actief is omdat het telkens wordt getriggerd door indringers die door de barrières breken (bijvoorbeeld in de darmen), of doordat er een situatie van laaggradige ontsteking is ontstaan in het lichaam, dan is het natuurlijk niet handig meer dat de rT3 de hele tijd de T-receptoren bezet. Ook in deze situatie ontstaan symptomen van onderfunctie van de schildklier omdat de T3 niet aan komt in de cellen. En ook hier ligt de oplossing niet in de schildklier maar in het oplossen van de oorzaak: het geactiveerde immuunsysteem uitzetten.

Als de situatie van chronische activatie van het immuunsysteem langer voortduurt, ontstaan er uiteraard wel afwijkende bloedwaarden. De belangrijkste marker is de reverse-T3. Door de verhouding van rT3 te bepalen ten opzichte van de T3, kan worden vastgesteld of er sprake is van NTIS: Non Thyroid Illness Syndrome. Zoals de naam het al zegt gaat het hier niet om een aandoening aan de schildklier zelf, maar heb je toch last van schildklier-symptomen. Hoe langer deze situatie voortduurt, hoe groter de schade die gaat ontstaan. De schildklier-as kan zelfs volledig worden uitgezet en omzeild door de productie van TSH in het beenmerg; de hypothalamus en hypofyse spelen dan geen rol meer. De schildklier blijft wel werken omdat er aanbod van TSH aanwezig blijft vanuit het beenmerg. Alle T4 die daaruit nog geproduceerd kan worden, gaat onmiddellijk in de vorm van rT3 als energievoorziening naar het immuunsysteem. Een van de duidelijkst merkbare gevolgen is dat je niet langer koortsgevoelig bent: je lichaamstemperatuur is constant laag en ook bij opgelopen virussen ontstaat geen koorts meer, met alle gevolgen van dien. Daarnaast ontstaat orgaaninsufficiëntie en –uitval, doordat organen niet meer worden voorzien van T3 en hun energieregulatie dus niet meer werkt. Een enorm vervelende vicieuze cirkel, die adequaat ingrijpen vereist!

Een derde kink in de kabel: leptine

De schildklier is een belangrijk orgaan in de energievoorziening. Het levert vooral energie via de verbranding van vet en glucose in de mitochondriën. Dat werkt zo. Als er vet wordt opgenomen door vetcellen, betekent dat dat er meer brandstof is voor de mitochondriën en dat deze dus aan het werk moeten. Vetcellen sturen daartoe het hormoon leptine naar de hypothalamus. De hypothalamus zet daarop met het vrijgeven van TRH de schildklier aan tot het uitscheiden van T4. Dit wordt met behulp van selenium weer omgezet in T3 en dat activeert de mitochondriën, zodat het verbrandingsmechanisme gaat lopen. Tot dusver niets aan de hand. Als er echter een voortdurend aanbod van leptine is aan de hypothalamus, dan gaat de hypothalamus de leptinereceptoren uitzetten. Een voortdurend aanbod van leptine ontstaat doordat er alsmaar vet wordt opgeslagen in vetcellen. Dit gebeurt bijvoorbeeld als er de hele dag door een hoog aanbod is van glucose: een teveel aan glucose wordt omgezet in vet. Als de receptoren eenmaal uit staan en dus niet meer reageren op leptine, dan wordt de schildklier niet meer goed ingeseind door de hypothalamus. De schildklierfunctie wordt daardoor verminderd en de verbranding gaat omlaag. Tegelijkertijd krijg je meer honger, want leptine reguleert ook het hongergevoel. Je krijgt meer behoefte aan eten, terwijl je minder verbruikt. Zo kom je in een vicieuze cirkel, met als gevolg onderfunctie van de schildklier en gewichtstoename. Ook hier zit het eigenlijke probleem niet in de schildklier, maar in het feit dat leptineresistentie is ontstaan. De oplossing daarvan is voor een deel gelegen in het aanpassen van je voedingspatroon.

Auto-immuunziekten van de schildklier

Hashimoto
Bij de ziekte van Hashimoto worden antilichamen gevormd tegen de schildklier. Het proces van het ontstaan van een auto-immuunziekte beschreef ik al in een eerdere post over auto-immuunziekten. Hoe verloopt dit proces nou bij de ziekte van Hashimoto?

Het begint ook hier allemaal in de darmen. Als de darmen teveel stoffen doorlaten naar het lichaam, omdat het darmepitheel niet meer goed gesloten is, dan moet het immuunsysteem dat zich net buiten de darm bevindt, veel meer werk doen dan waar het eigenlijk voor is bedoeld. Het moet alle stoffen die worden doorgelaten checken op “goed” of “slecht”. Als het immuunsysteem het te druk krijgt gaat het te vaak, te snel en te heftig reageren op alles wat binnen komt. En daar gaat het mis.

Doet zich bijvoorbeeld een infectie voor met een vergelijkbare structuur als die van een met lichaamseigen weefsel, dan bestaat de kans dat het overactieve immuunsysteem zich niet beperkt tot de infectie. In alle ijver kan het immuunsysteem op de infectie lijkend lichaamseigen weefsel gaan “opruimen”, omdat het niet meer goed in staat is goed van slecht te onderscheiden. Bij de schildklier kan dat het geval zijn bij bijvoorbeeld een herpesinfectie of een pfeifferinfectie: deze lijken qua structuur erg op schildklierweefsel. En zo kan het gebeuren dat de schildklier wordt aangevallen na het doormaken van een op zich onschuldige infectie.

Hetzelfde proces kan zich voordoen bij een reactie van het immuunsysteem op voeding. Zo lijkt thyreoglobuline erg op tarwe; valt een overactief immuunsysteem eenmaal tarwe aan dan is de stap naar het aanvallen van thyreoglobuline niet zo groot meer.

Ook het eten van zoogdiervlees is een trigger voor het ontstaan van Hashimoto. Maar liefst 98% van de Hashimoto-patiënten heeft antilichamen tegen het eiwit Neu5Gc, dat in zoogdiervlees voorkomt. Deze antilichamen kunnen zich ook richten tegen het enzym TPO.

Wordt de schildklier eenmaal aangevallen door je eigen immuunsysteem, dan spreken we van een auto-immuunziekte. De aanvallen door het immuunsysteem zijn goed onder controle te krijgen met de juiste aanpassingen in je leefstijl, maar in welke mate de schildklier nog in staat is haar functie uit te oefenen, is afhankelijk van hoe groot de schade is die is aangericht.

Graves/Basedow
Bij de ziekte van Graves/Basedow worden volgens dezelfde processen als die ik net beschreef, antilichamen gevormd tegen TSH-receptoren (dus niet zozeer tegen de schildklier zelf). De antilichamen bezetten de TSH-receptoren en zorgen ervoor dat de schildklier continue wordt gestimuleerd: er ontstaat een enorme hyperfunctie. Omdat dit niet vol te houden is, legt de schilklier hierdoor uiteindelijk het loodje. Dan zie je onderfunctie van de schildklier ontstaan: ondanks (over-)stimulatie van de schildklier, worden geen schildklierhormonen meer geproduceerd. Ook in deze situatie geldt dat de aanvallen door het immuunsysteem goed onder controle te krijgen zijn met de juiste aanpassingen in je leefstijl. Ook hier is echter de vraag in hoeverre de schildklier nog in staat is haar functie uit te oefenen, afhankelijk van de schade die is aangericht.

Mijn aanpak

Uit alles wat ik hierboven heb beschreven (en dan ben ik nog niet eens volledig geweest), blijkt wel dat er heel veel mis kan gaan met de schildklier. In een aantal gevallen heeft dat niet eens zozeer te maken met de schildklier zelf, als wel met processen die de werking van de schildklierhormonen beïnvloeden. Helaas wordt er in de reguliere geneeskunde zelden gekeken naar onderliggende oorzaken. Standaard wordt enkel TSH gemeten in het bloed, maar zoals ik hierboven al aangaf kan TSH nog prima in de normaalwaarde vallen terwijl er toch al heel veel mis gaat. Komen er toch afwijkende waarden uit, dan is de oplossing meestal het voorschrijven van schildklierhormonen. Een echte oplossing is dat natuurlijk niet, omdat de onderliggende problemen waaraan geen aandacht wordt besteed, blijven bestaan. Ten onrechte wordt soms het beeld neergezet dat je je leven lang afhankelijk bent van het slikken van schildklierhormonen, terwijl het in een groot aantal gevallen heel goed mogelijk is om je lichaam zodanig te herstellen dat dit niet meer nodig is.

Kom jij met schildkliergerelateerde klachten bij mij, dan breng ik eerst samen met jou in kaart wat de oorzaak is van jouw klachten. Vandaaruit werken we naar de oplossing. Je leert met mijn intensieve begeleiding hoe je het zelfherstellend vermogen van je lichaam weer kunt activeren met behulp van het aanpassen van je leefstijl. Daarmee werk je naar een oplossing die zich niet beperkt tot symptoombestrijding. Je krijgt grip op je klachten, je voelt je weer lekker in je vel, hebt weer de energie om de dingen te doen die jij leuk en belangrijk vindt. Hoe fijn zou dat zijn!!

 

2 gedachten over “Schild(ge)klier”

  1. De klachten herken ik wel, vroeger nooit last van! Nu steeds meer een hoog voorhoofd en haarverlies, koude tenen/vingers/neus en veel darmklachten (en nog meer).

    wat kan je zelf doen qua voeding?

    1. Beste Maartje, bedankt voor je berichtje. Vervelend dat je zoveel klachten hebt. Ik heb over voeding en wat je daarmee kunt doen, een aantal artikelen geschreven. Volgens mij heb je die ook al gevonden. Voeding aanpassen is één stap op weg naar beter worden, maar meestal is dat niet voldoende. Ook het aanpassen van andere onderdelen van je leefstijl maakt deel uit van deze weg. Ik zie dat je nog meer vragen hebt gesteld; ik stuur je morgen of uiterlijk overmorgen een persoonlijk berichtje. Hartelijke groet, Femke

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *